Children's corner


11.08

Jaloezie ligt aan de oorsprong van Játékok (Spelletjes), een verzameling korte pianostukken waar de Hongaarse componist György Kurtág al sinds de jaren 1970 onverdroten aan werkt. Kurtág benijdt kinderen voor wie de piano nog een stuk speelgoed is, waarmee ze naar hartenlust kunnen experimenteren. Alleen kinderen kunnen met ongerepte argeloosheid helemaal opgaan in hun spel, zo lijkt het. Maar is een ongekunsteld, onbevangen spel ook niet de voornaamste kwaliteit van een goed musicus? Met de acht bundels Játékok die intussen al zijn verschenen, wil Kurtág iets van de spontaniteit van kinderspel in klank vatten, om op die manier beginnende pianisten goesting in het pianospel te geven. Kurtágs miniatuurtjes liefkozen of bestormen het klavier, stapelen schijnbaar willekeurige klanken, of scheppen er plezier in gewoon de toetsen aan te raken. Geen maten tellen dus, of toonladders oefenen. Maar eerst opnieuw leren spelen, zoals een kind.

Iets gelijkaardigs deed Béla Bartók, landgenoot van Kurtág, aan het begin van de 20e eeuw met zijn pianostukjes For Children. De eerste bundel van die collectie bevat een veertigtal Hongaarse volksliedjes, gearrangeerd voor de beginnende pianist. Bartók wou niet alleen de vingers, maar ook de oren van de debutant trainen. Zijn pianostukjes maken de beginnelingen op een discrete maar trefzekere manier vertrouwd met een moderne toonspraak. Wat goed gezien van Bartók! Hij vertrok van Hongaarse volksliedjes die iedereen kende maar schoof hier en daar een dissonante toon of een onregelmatig ritme in de partituur. Zo raken de jonge pianisten – op sleeptouw genomen door de melodietjes die hun ouders en grootouders zingen – spelenderwijs vertrouwd met de muzikale taal van de 20e eeuw.

Niet meteen voor beginnende pianisten is Children’s Corner, de suite die Claude Debussy ook in het eerste decennium van de 20e eeuw schreef. De liefde voor zijn dochtertje “Chouchou” heeft aan Debussy zes verrukkelijke juweeltjes van pianistieke poëzie ontlokt. De keuze van Engelse titels voor de afzonderlijke stukken was ongetwijfeld bedoeld als milde spot met de anglomanie die in Parijs heerste. In het eerste deel van de suite, ‘Doctor Gradus ad Parnassum’, steekt Debussy de draak met de droge oefenstukjes van pianopedagogen Czerny en Clementi. De suite eindigt met ‘Golliwogg’s Cake Walk’, een verklanking van de hortende en stotende bewegingen van een dansende pop, inclusief Wagner­citaat en jazzgeluiden.

Van alle componisten die met eenvoudige werkjes het verloren gewaande paradijs van kinderlijke argeloosheid willen betreden, is Robert Schumann wellicht de bekendste. Tien jaar nadat hij zich voor de set Kinderszenen (1838) een eerste keer over de ongerepte kinderziel had gebogen, componeerde hij tientallen stukjes voor beginnende pianisten bijeen voor zijn Album für die Jugend. Met die collectie wilde Schumann vooral de jeugdige vingers vertrouwd maken met de verschillende aspecten van de speel techniek. Maar ook volwassenen wiens oren nog argeloos en ongerept genoeg zijn om de onderhuidse poëzie van deze miniatuurtjes te ontdekken, zullen van deze werken genieten.

Jan Christiaen

22:30 | Concertgebouw, Kamermuziekzaal

  • Piano(forte):
     Piet Kuijken