La morte della ragione


11.08

Iemand heeft u vast wel eens verteld dat grote veranderingen geleidelijke processen zijn, die tijd vergen. De aller belangrijkste revolutie in de muziekgeschiedenis voltrok zich nochtans in een paar uur tijd, en wel op zaterdagavond 24 februari 1607. Toen liet toen Claudio Monteverdi in een zoldervertrek van het hertogelijke paleis in Mantua zijn Orfeo op de wereld los. Twee dagen na de première jubelde hoftheoloog Cherubino Ferrari dat “zowel librettist als componist erin geslaagd [waren] de aandriften van het hart ongeëvenaard competent in beeld te brengen. De muziek diende de poëzie zo goed dat er nooit nog iets mooiers te horen zal zijn.”

Naar de normen van onze eigen tijd klinken Ferrari’s lofbetuigingen vreemd: voor 21e­eeuwers is het normaal dat kunst eerst het hart en dan pas de hersenen aanspreekt, en dat kunstenaars de overdrijving niet schuwen om de emotionele lading van een tekst over te brengen. Maar begin 17e eeuw waren beide aspecten ongehoord revolutionair omdat ze het bestaande muziekbeeld zo ingrijpend veranderden.

Het zit ongeveer zo. Tot circa 1600 was álle muziek polyfoon gedacht, met meerdere gelijkwaardige melodieën die zonder een geïmpliceerde hiërarchie “tegen elkaar aan” geconstrueerd werden. De resulterende muziek klonk wat condenser dan we momenteel gewoon zijn, en de tekstverstaanbaarheid leed daar soms onder. In Monteverdi’s Orfeo (1607) en Marco da Gagliano’s La Dafne (1608) wordt de relatie tussen tekst en muziek radicaal omgedraaid: in het nieuwe operagenre wordt één solo (zang)stem uit het polyfone keurslijf bevrijd om een medium voor gevoelsexpressie te worden, met de tekst als enige leidraad, en een nagenoeg onbeperkte vrijheid voor de zanger om álle middelen aan te wenden om de tekst centraler te stellen. De andere partijen krijgen een eerder begeleidende functie, en het harmonische fundament wordt zelfs ten dele geïmproviseerd (op basis van een “becijferde” baslijn die suggesties geeft voor de intervallen in de akkoorden).

Hoewel Monteverdi’s revolutie eigenlijk het klinkende resultaat was van een veel ruimer renaissancethema – de zoektocht naar de ware wortels van het antieke Griekse theater –, zou zijn omwenteling uiteindelijk de barok inluiden, en álle muziek vanaf dan bepalen. Zonder Orfeo zouden Bach, Beethoven en Brahms er nooit geweest zijn. De Beatles en de Sex Pistols wellicht ook niet, en Eminem al helemaal niet: rap is de nauwste popmuzikale verwant van Monteverdi’s nieuwe muziektaal.

Het Milanese barokensemble Il Giardino Armonico stelde voor dit concert een programma samen met instrumentale muziek uit de eeuwen aan weerszijden van Monteverdi’s schisma. Het gebeurt niet vaak dat een barokformatie materiaal van vóór 1600 op het programma plaatst, maar Il Giardino draagt zijn pioniersrol hoog in het vaandel: begin jaren 90 realiseerde het met hitsige en borstelige strijkers toon een “extreme make­over” (=cursief) van Vivaldi’s Quattro Stagioni die het meest uitgekauwde stuk uit de canon definitief uit de hotellobby zou emanciperen.

Dit programma draagt de titel La Morte della Ragione, of “De dood van de rede”, naar een anonieme pavane uit een 16e­eeuws manuscript met Italiaanse dansen. In de ruimere zin slaat de titel op de overwinning van de nieuwe barokke zintuiglijkheid op het intellectualisme van de renaissance. We moeten ons er nochtans voor hoeden de muziek van de 15e en 16e eeuw tot louter ratio te reduceren. Ook voor Josquin Desprez vormen de tekst en de emoties die de tekst oproepen de aanleiding tot een compositie. Dat Josquins inspiratie complexe meerstemmige texturen voortbracht,

neemt niet weg dat zijn muziek oorstrelend welluidend en de tekst doorgaans perfect verstaanbaar is. In zijn Déploration sur la mort d’ Ockegem brengt Josquin hulde aan Johannes Ockeghem door diens compositiekenmerken bewust te imiteren: complexe polyfonie, (beheerste) expressie, lage registers en een beweeglijker bas dan gebruikelijk kleuren deze sublieme klaagzang.

Veel meer dan in de barok, zijn imitatie en intertekstualiteit in de renaissance belangrijke ambities bij het componeren. Het feit dat minstens vijf zettingen van het chanson De tous biens plaine door Alexander Agricola bewaard bleven, illustreert de 16e­eeuwse status van variaties op een bestaand thema. In de originele versie door Hayne van Ghizeghem maakte De tous biens plaine furore over heel Europa. Het is niet moeilijk te begrijpen waarom: de tenormelodie is een onweerstaanbare oorwurm en het lied ademt een triomfantelijk soort gelukzaligheid uit. De tous biens plaine komt in maar liefst 25 handschriften voor, en vooral de superius­ en tenorpartij vormen de basis voor ontelbare liederen, motetten, en missen van andere componisten.

Dat Monteverdi’s revolutie de muziekgeschiedenis in tweeën spleet, neemt niet weg dat sommige “oude” componisten de nieuwe muziektaal al hoorbaar aan kondigden. Giovanni Gabrieli zou zich momenteel wellicht als renaissancepolyfonist profileren, maar zijn groot schalige, dramatische muziek voor de Venetiaanse San Marco past qua expressiviteit nauwelijks nog binnen de controle en de balans die eerdere generaties polyfonisten prefereerden.

Stefan Grondelaers

20:00 | Concertgebouw, Concertzaal

  • Muzikale leiding, blokfluit & dulciaan:
    Giovanni Antonini 
  • Esemble:
    Il Giardino Armonico