Puisque je suis fumeux


12.08

In zijn traktaat Ars Nova (ca. 1322) beschreef Philippe de Vitry de nieuwigheden die in de loop van de eerste decennia van de 14e eeuw de Franse muziek waren binnengedrongen. Een nieuw mensuratiesysteem dat onder meer een twee­ en drieledige onderverdeling van notenwaarden toeliet, zorgde ervoor dat componisten konden ontsnappen aan de ritmische stroefheid van de ars antiqua. De nieuwe muziek werd gekenmerkt door grilliger verlopende en vaak fel versierde bovenstemmen. Tegelijk gingen de onderstemmen, die dienst deden als harmonisch fundament, steeds trager verlopen. Guillaume de Machaut is met voorsprong de belangrijkste vertegenwoordiger van deze stijl. Typisch voor zijn muziek is de combinatie van ritmisch raffinement met melodische rijkdom, waamee hij tal van Zuid­Franse componisten inspireerde. Op ritmisch vlak zochten zij zo mogelijk nog verdere horizonten op dan Machaut al had gedaan. Deze muziek werd “ars subtilior” – of: “kunst die nóg subtieler is” ­ genoemd.

Al snel volgden ook Italiaanse, Noord­-Spaanse en Cypriotische componisten het voorbeeld van hun Zuid-Franse collega’s. Naast Jacob de Senleches en Baude Cordier waren ook Anthonello da Caserta, Matteo da Perugia en Johannes Ciconia centrale figuren. In hun muziek is in eerste instantie de onafhankelijkheid van de verschillende stemmen ten opzichte van elkaar opvallend. Zeker in de bovenstemmen en de contratenorpartijen wordt vaak de extreme virtuositeit opgezocht. Componisten experimenteerden duchtig met syncopering, accentverplaatsingen en het gebruik van afwijkende metra en ritmische figuren in verschillende stemmen. Ze onderstreepten de onafhankelijkheid van die stemmen nog eens door het simultaan gebruik van complexe teksten. Raadsels, illusies, allegorieën, dubbelzinnige en mysterieuze uitdrukkingen en woordspelletjes zijn hier schering en inslag. Ook op harmonisch vlak en in de melodievoering gingen componisten de experimentele toer op. Door het meer flexibele notatiesysteem werd ook het contrapunt een stuk complexer.

De handschriften van Baude Cordiers Tout par compas suy composé (Met een kompas werd ik geschreven) en Jacob de Senleches’ La harpe de melodie leren ons dat ook de partituren van deze muziek niet ontsnapten aan maniëristische neigingen. Cordier noteerde zijn compositie in een cirkel, terwijl Senleches zijn muziek als de snaren van een harp neerschreef.

De ars subtilior floreerde tussen 1380 en 1415. Een dergelijke verregaande complexiteit zou pas opnieuw opduiken in de loop van de 20e eeuw. Het hoeft dus niet te verbazen dat componisten, onder wie de Brit Sir Harrison Birtwistle en de Fransman Brice Pauset, zich tot op vandaag laten inspireren door deze extreme manier van componeren.

Elise Simoens

11:30 | Onze-Lieve-Vrouw-Ter-Potterie

  • Muzikale leiding & luit:
    Michele Pasotti 
  • Ensemble:
    La Fonte Musica